Waarheidsvinding is kinderspel

Huub van ‘t Hek / maart 2007

10 december 2004. Agressieve fietsbanden op het grindpad. Abrupt remmen in een slip. Fiets wordt in de heg gegooid. Keukendeur zwaait open. Daar staat hij, ons pleegkind, grote holle ogen en fors buiten adem. Ziet niets en hoort niets. Trekt keukenla open en grijpt de twee grootste messen. Vanuit mijn werkkamer kan ik het met een half oog zien. Komt in mijn richting, gaat achter mij staan en zegt : “Als je nu niet doet wat ik zeg, ga je er morgen aan”. Schuin kijk ik omhoog. Zijn ogen zien mij niet, maar ik weet niet wat zij wel zien.

Bedreiging of spel ?
Hij bedreigt mij dus niet, flitst er door mij heen. Hij bedreigt iemand anders. Als ik nu inga op zijn bedreiging, verwart hij mijn stem met degene die hij in zijn hoofd nu voor zich heeft. Dan zal hij steken en is er een kans dat ik het niet overleef. Mijn reactie moet er een zijn van alledag. Dus zeg ik : “Wat leuk dat je zo op tijd thuis bent. Als je even thee gaat zetten, kun je gelijk die twee messen in de la leggen. Dan drinken wij de thee in de kamer”.

Zijn lichaam schokt. Hij is wakker, teruggekeerd in de wereld van alledag. Hij kijkt naar mij en ziet mij nu ook. Dan kijkt hij naar zijn handen en ziet hij de messen. In een flits begrijpt hij, dat zijn houding als bedreigend wordt ervaren. Losjes laat hij de messen zakken en zegt : “Wat leuk hè, dat ik zo op tijd thuis ben. Als ik even thee ga zetten, kan ik gelijk die twee messen in de la leggen. Dan drinken wij daarna thee in de kamer”.

Een kwartier later drinken wij met zijn tweeën thee in de kamer. Praten over de afgelopen dag op school, bekijken wat er voor het eten nog gebeuren moet, bezien wat wij zullen eten, hoe laat wij nog boodschappen zullen doen en gaan ieder onze weg. Wij treffen elkaar op de afgesproken tijd. Doen samen de boodschappen en koken samen het eten. Hij is gehoorzaam, hij is volgzaam, hij is aardig, hij is voorkomend.

Spel of bedreiging ?
Spelen is kruipen in de huid van een ander. In dat licht gaat het om de vraag wat ik gezien heb. Waarvan ben ik getuige geweest ? Heeft hij mij voorgespeeld hoe hij zich in zijn hoofd bedreigd heeft gevoeld ? En heeft hij een dreigende houding aangenomen tegenover de grote mensen die hem vroeger zo bedreigd hebben ?

Mijn waarneming is juist geweest : hij heeft mij zijn verleden voorgespeeld. Hij heeft voor mij gespeeld, hoe hij zichzelf nog steeds moet verdedigen tegen mensen die er in persoon niet zijn. Maar die wel in zijn hoofd zitten. Op basis van die waarneming heb ik besluiten genomen en gereageerd.

’s Avonds hebben wij met elkaar gesproken. Over wat er was gebeurd. “Ik wilde jou niet doodmaken”, bleef hij maar herhalen. “Hoe kan ik jou nou dood willen maken, als ik hier altijd wil blijven wonen ?”, was zijn vraag. “Je kunt hier niet altijd blijven wonen”, heb ik opnieuw geantwoord, zoals ik hem dat al zo vaak had geprobeerd duidelijk te maken. “Je moet naar een omgeving waar ze je misschien kunnen genezen van die ziekte in je hoofd”.

Dat mocht ik niet zeggen. Hij bepaalde wel wat erin zijn hoofd zat en niet ik. Hij had bepaald, dat hij zeker tot zijn 18ejaar bij ons zou kunnen wonen. Wij hebben hem uitgelegd dat dat niet kon. Wij hebben hem uitgelegd, dat wij willen voorkomen dat hij een keer wel steekt. Misschien niet bij ons in huis, maar dan op school of ergens anders. Dat willen wij niet. Niet voor hem en niet voor degene die zijn slachtoffer zou worden. Hij begreep dat niet. Nu het hem zo was uitgelegd, zou hij het nooit meer doen. Hij zou gehoorzamen, altijd gehoorzamen.

Bedreiging of behandeling ?
Samen met de gezinsvoogd brengen wij hem weg. Naar een splinternieuw orthopedagogisch behandelingsinstituut. Wij worden ontvangen door een mevrouw van wie wij denken dat het een ernstige anorexia patiënte is, maar die zich voorstelt als de gedragsdeskundige. Wij hebben ons best gedaan om goed beslagen ten ijs te komen. Wij hebben nogal wat rapportages meegebracht. Twee verschillende psychiaters en twee verschillende psychologen hebben goede rapporten opgesteld over het kind en zijn gedragingen. Wij hebben als pleegouders een rapport geschreven over het gedrag van het kind in de afgelopen twintig maanden. De stukken worden vriendelijk in ontvangst genomen. Als er tijd is, zal er naar gekeken worden. Voorlopig zal de gedragsdeskundige afgaan op haar eigen waarneming, zo laat zij ons weten.

Nu voelen wij ons bedreigd. Omdat wij ontkend worden. Twintig maanden hebben wij vierentwintig uur per dag gewerkt aan de verbetering van de gedragingen van het kind. Wij vinden dat wij grote vorderingen hebben geboekt, maar nu niet verder kunnen. Omdat de pedagogische vorderingen worden geblokkeerd door de psychiatrische storingen. Die zouden wij ok wel kunnen verhelpen, maar daar is ons huis niet op ingericht. Daar hebben wij een andere en aangepaste setting voor nodig. Die setting, zo blijkt hier, niet in onze aanpak geïnteresseerd.

Met de behandeling kan niet onmiddellijk worden begonnen,  zo laat de gedragsdeskundige ons weten. Omdat de locatie nieuw is, omdat de organisatie nieuw is, omdat alles en iedereen nieuw is, moet eerst de interne hiërarchie van personen, zaken en informatie worden geregeld. Het kind zal BEsloten worden geplaatst en niet GEsloten. Het verschil tussen die twee is groot. Of de pleegvader voorlopig niet op bezoek wil komen, zo wordt gevraagd. Omdat het kind dat als bedreigend zou kunnen ervaren.

Op zondagavond hebben wij telefonisch contact. In het begin verlopen de gesprekken moeizaam. Omdat een groepswerker direct controleert wat hij zegt. Pas in het vierde gesprek vertelt hij dat het bij ons veel leuker was. “Omdat jullie altijd alles hebben voorgedaan”, zegt hij. “Jullie hebben altijd overal een spel van gemaakt”, zegt hij. “Hier moet ik de hele dag uitleggen wat ik doe en waarom ik het doe en dat kan ik niet”. Hij gaat gewoon naar school en doet daarbuiten wat hij moet doen. Van echte behandeling is geen sprake, zegt hij. Omdat de groepsleiding hem niet aankan, zegt hij. Omdat de mensen van het instituut altijd ruzie met elkaar maken, zegt hij.

Kind of volwassene ?
Twintig maanden hebben wij de principes van “Kinderen eerst…..” gehanteerd als leidraad voor ons gedrag. Dat wil zeggen, dat wij de spelmatige aanpak hebben gekozen om de waarheid te kunnen achterhalen. De grote winst is altijd geweest, dat hij met behulp van het spel veel bereikbaarder was. Dat hij ons in zijn spel veel meer kon laten zien over de herkomst van zijn gedrag. Daarmee hebben wij het meeste recht gedaan aan zijn wereld, zijn bestaan, zijn toekomst. Wij moesten eerst leren van hem, opdat hij in een later stadium veel zou kunnen leren van ons.

Dat betekent dat wij hem niet zoveel hebben laten praten. Omdat iedere vraag in de richting van zijn verleden wordt opgevat als een bedreiging. Wie zich bedreigd voelt, slaat dicht. Praten is de wereld van de volwassenen. Het gaat er niet om dat een kind niet kan praten. Kinderen kunnen heel goed praten. Kinderen zijn beter dan wie ook in staat om uitdrukking te geven aan hun gevoel. “Ik heb traantjes van trekheid”, heeft een kind ooit tegen mij gezegd. Om uit te drukken wat wij “geeuwhonger” noemen. Maar achteraf verantwoording kunnen afleggen over bepaalde gedragingen : dat hoort thuis in de wereld van de volwassenen. Het kind legt die verantwoording ook wel af, maar dan zul je het kind moeten laten spelen.

Julien C.
Met elkaar zijn wij in afwachting van de aanpak van de zaak Julien C. Die wordt verdacht van de moord op de achtjarige Jesse Dingemans. Een meer dan afgrijselijk en afschuwelijk voorval. Nergens ter wereld is er ook maar één kind dat het verdient om zo zijn leven beëindigd te moeten zien. Geen ouder ter wereld verdient het om zo een kind te moeten verliezen. En toch hebben wij met elkaar de plicht om zo naar Julien C. te kijken, dat wij met elkaar kunnen achterhalen wat hij wel en niet heeft gedaan en vooral, waarom hij wel of niet heeft gedaan wat hij wel of niet heeft gedaan.

In alle publicaties over deze zaak valt het op, dat hij blijft ontkennen dat hij het gedaan heeft. Hoe leg je uit dat hij de daad gepleegd kan hebben, zonder daarbij aanwezig te zijn. Dat is het gedrag dat wij van ons pleegkind zo goed kennen. Als hij binnenkomt en de messen grijpt, is hij niet wie hij is, maar is hij iemand anders. Er zijn momenten dat zijn angsten hem zo diep beheersen, dat zijn eigen ik hem verlaat en hij als het ware overgaat in een personage die hem vroeger meer dan ernstig heeft bedreigd. In het geval van ons pleegkind weten wij, dat hij een ernstig slachtoffer is van buitensporige vormen van psychisch, fysiek en sexueel misbruik. Vanaf zijn zevende jaar, als hij eindelijk uit huis wordt geplaatst, wordt er voor het eerst in zijn leven aandacht besteed aan zijn eigen ik. Pas dan is er aandacht voor zijn eigen persoonlijkheid. Diep beschadigd zijn vanaf het eerste uur van je bestaan. Daar word je een levenlang door achtervolgd.

Ombrengen en ombrengen
Het menselijk leven bestaat uit drie lagen : biologie, cultuur en spiritualiteit. In de biologische laag doen wij alles wat nodig is om biologisch in leven te blijven. Behoeft geen toelichting. In de culturele laag onstaan allehande relatievormen, die net zo noodzakelijk zijn om als mens te kunnen bestaan en te kunnen overleven. Gezin, familie, vrienden, arbeid, sport, nationaliteit, overheden : allerhande mensen en instituten die bijdragen aan de waarde van het bestaan.

In de spirituele laag gaat het om het geloven, om abstracties, om alles wat niet grijpbaar is, maar wezenlijk bijdraagt aan het menselijk geluk. Het is de opdracht aan ieder mens om voor zichzelf de beste mix na te streven van de biologische, de culturele en de spirituele activiteiten.

Als wij een kind of een volwassene biologisch ombrengen, is de wereld te klein. Volkomen terecht, want wereldwijd zijn wij het erover eens dat de ene mens niet het leven neemt van een ander mens. Maar als wij kinderen cultureel of spiritueel ombrengen, zoals ons pleegkind aan den lijve heeft moge ondervinden, dan bezien wij die daad ineens met heel andere ogen. Savannah was uit huis geplaatst, omdat men van mening was, dat de ouders het kind cultureel en spiritueel hadden omgebracht. Maar die vorm van ombrengen is geen wettelijk criterium. Dus kan het kind terug naar de ouders en moet het kind biologisch worden omgebracht, alvorens wij tegen de ouders optreden.

Spel en waarheid
Als wij het kijken van onze ogen verbinden met kennis en emotie leren wij om te zien. Als wij het zien toetsen aan wat wij al weten en wat wij al gezien hebben, leren wij om waar te nemen. 120.000 kinderen, zo lezen wij in de krant, hebben zodanige psychische problemen, dat zij wachten op behandeling. Ons pleegkind wacht nu ruim twee jaar op behandeling. Niet omdat de behandelaar er niet zou zijn. Die behandelaar is er wel, maar die behandelaar wil dat het kind zich gedraagt naar de modellen die hij in zijn hoofd heeft. De behandelaar is niet in staat om in het spel van het kind te zien hoe het kind zijn verhaal vertelt. En dus verklaart hij het kind ONbehandelbaar.

Ons pleegkind is nu zestien jaar oud. Over twee jaar is er geen titel meer om hem besloten of gesloten nog te behandelen. Hij kan dan gaan en staan waar hij wil. Zoals het er nu naar uitziet, gaat hij dan volstrekt onbehandeld de straat op. Als wandelende tijdbom. Omdat wij niet weten welke geur, kleur, tekst, geluid, beeld of wat dan ook de oorzaak zal zijn van zijn “zijnsverhuizing”. In die “zijnsverhuizing” is hij tot de gekste dingen in staat. Hij heeft dat al zo vaak in zijn spel laten zien. Wanneer wordt zijn spel als waarheidsvinding erkend ?

FacebookTwitterGoogle+EmailDelen